Wakker zie ik haar diep in slaap, het meisje in de vrouw, ver weg naast me. Haar rust vaart in mij en ontroert. Mijn keel brokt, in het zicht van haar stille ademtocht. Om het gezicht dat ik net nog strelen mocht. Ze is mijn alles, om alles wat ze is: deel van mij, geheel van mij. Vrijpartij.
Ik leef in tweezaamheid. Haar denken omstrengelt het mijne en andersom. Alleen, dit moment kan ik niet delen: wanneer ik waak over haar slaap, en bijkans stik van liefde. Hier ligt ze, buiten de tijd gekruld, haar wezen in een waas gehuld, en toch raakt ze me nu haast meer dan ooit.
Stomdronken van geluk buig ik me naar haar toe, mijn lippen naast haar wang, maar kussen durf ik niet. Ik ruik aan haar. Mijn longen vullen zich met meisjeslucht, mijn meisjeslucht, en ik voel de duizel komen. Is het verboden wat ik doe? Misschien, misschien ook niet.
Er is hoe dan ook niemand die mij ziet.
Het wonder van het losse olifantje
Er was eens … een filosoof. Deze man, bebrild en bebaard, schiep er een duivels genoegen in om zijn ideeën met verhalen te omkleden. Duivels? In ieder geval in de ogen van de schrijver, die hij tegen het lijf liep. Die laatste was, in tegenstelling tot de filosoof, juist gewoon om zijn verhalen van ideeën te voorzien.
Het stokpaardje van de filosoof was Dombo, het vliegende olifantje. En de schrijver was de klos. Dit slurfdier, zo vertelde hij de onwillige luisteraar, heeft leren vliegen met een toverveer. Maar weet U wat nou de grap is? Toververen bestaan helemaal niet! Het olifantje kon al vliegen, maar wist het niet.
Filosofie is niets anders dan dit inzicht. U heeft geen toververen nodig om de wereld te begrijpen. U kunt het zelf! Luister naar mij.
De schrijver snoof. Een mooie filosoof bent U! Geen toverveer, maar wel de wijsheid in pacht. Waar haalt U die nou weer vandaan? Mijn veertje is me lief, Mijnheer, en al zou ik zonder kunnen, dan nog wil ik het niet. Zo gezegd sloeg de schrijver snel zijn armen uit, en vloog weg, de filosoof in verbijstering achterlatend.
Schrijven vreet tijd. Aan menig stukje verspijker ik uren, want het is verdorie niet gauw goed. Het is soms om moedeloos van te worden. Mijn goede vriend Jeroen Brouwers - wie ooit zijn ‘Kroniek van een karakter’ las waant zich innig met hem bevriend -, mijn goede vriend Jeroen Brouwers dus, steekt mij op zo’n moment een hart onder de riem:
Over ’stijl’. Het ontwikkelen daarvan duurt jaren en kan alleen ontstaan in rust. Ieder woord moet worden bekeken, gewikt, geproefd, gestreeld, geslagen, geneukt, verworpen, juist als ware het woord een hoer. Je moet hooghartig met woorden omgaan: niet moeten woorden regeren over jou, maar jij moet regeren over de woorden. Het moet voor ieder woord dat je neerschrijft een eer zijn dat het in je proza mag fungeren. Alleen wie zo schrijft, geeft flonker aan iedere zin die hij schrijft.
En zo is het maar net. De prijs is hoog, het kost veel pijn en nog meer moeite, maar uiteindelijk krijg ik ze dan toch precies waar ik ze hebben wil, mijn slavinnen. Vereenzelvig ik mij met de prostituant, dan gaan de woorden voor mij op hun knieën. En dat geeft onherroepelijk een kick.
Voor de goede orde, dit soort macho spierballentaal beperkt zich slechts tot bespiegelingen over mijn getroubleerde relatie met het geschreven woord. In het dagelijks leven gaat het me gelukkig een heel stuk gemakkelijker af. Daar vallen ze althans zonder boe of bah als blokken, de mokkeltjes.
Hij sms’t: “Met lome slagen zwem ik over het vrijwel rimpelloze water van je buik, en duik dan plotsklaps kopje onder. Daar proef ik zilt, en voel ik warmte. De druk op mijn oren neemt toe. Ik worstel, en jij komt boven.” Stilistisch misschien niet heel erg fraai, maar voor een sms’je uit de kunst.
Al zegt hij het zelf.
Pas na het verzenden ziet hij met het karmozijn op de kaken dat de ontvanger, inmiddels even roodbewangd als hij, geheel niet is wie hij voor ogen had.
Over honderd jaar ben ik hartstikke dood. Dat mag eigenlijk geen verrassing heten, maar als ik het zo zwart op wit zie staan dan moet ik toch even slikken, al is het maar omdat ik dat dan niet meer kan. De dood lijkt onontkoombaar. David Hume zou misschien zeggen: “Kop op, jongen, dat ieder mens tot nu toe sterft is nog geen reden dat jou zulks gebeurt”, maar ook hij is inmiddels reeds lang ter ziele. Het idee dat U tegen die tijd net zo dood bent als ik geeft nog enige troost, want wat zou ik moeten zonder U?
De dood even daargelaten wil ik het vandaag eens hebben over het stukje leven dat mij rest, en meer specifiek de invulling daarvan. Omdat mijn tijd eindig is ben ik er tamelijk zorgvuldig mee. Het doel is toch om een welbesteed leven achter me te laten. Naar mijn idee betekent dat dat ik zoveel mogelijk dingen doe waar ik waarde aan hecht. U mag mij voor gek verklaren, maar één van die dingen bestaat uit het lezen van boekjes (het andere ding is sex, maar dat zal U wel helemaal niet interesseren).
Op zich is het lezen van andermans verhalen een merkwaardige bezigheid, het draagt op het oog weinig bij aan je eigen verhaal, aan dat wat je had kunnen doen als je niet gelezen had. Toch denk ik niet dat angst voor het leven mij tot lezer heeft gemaakt. Ik gebruik het eerder als opstapje naar meer. Niet alleen scherpt lezen mijn zinnen, ook voedt het mijn vriendschappen. Een boek zwengelt mijn gedachten aan, en die gedachten deel ik met mijn vrienden, en die vrienden zijn mijn leven.
Het zal geen verbazing wekken dat mijn beste vrienden lezers zijn (en tevens sexverslaafd, maar dat doet nu even niet ter zake). Elk gesprek linkt op z’n minst zijdelings naar boeken, is het niet De Bijbel, dan wel Kuifje in Tibet. Het lijkt logisch dat ik, om dit soort gesprekken fris te houden, gedwongen ben om mijn repertoire voortdurend uit te breiden. Er wacht mij een schier eindeloze stapel ongelezen boeken, maar ik verkneukel me al bij de gedachte dat dat leidt tot evenzoveel ‘memorabele avonden’.
Deze week smaakte ik weer eens het genoegen een dergelijke avond te beleven. Door een goede vriend genood sprak ik met bord op schoot over leven en dood, waarbij hij zichzelf overigens ook niet onbetuigd liet. Er ontspon zich een waar kunstwerk, een gesprek met vele haken en ogen. Op een gegeven moment greep mijn broeder er een klassieker bij, Sándor Márais Gloed, nota bene een boek dat hij mij ooit gegeven had ter bezegeling van onze vriendschap, en dat alleen dáárdoor al tot mythische proporties was verheven.
“Weet je,” zei hij, “ik ga binnenkort Gloed nog eens herlezen.”
En die opmerking zette mij aan het denken. Jazeker, Gloed is een prachtboek, maar iets herlezen staat feitelijk haaks op de door mijzelf bedachte functie van literatuur, te weten gedachten aanzwengelen. Dit boek kennen we immers al! Mijn goede vriend leek wel te willen lezen om het lezen. Gekke jongen.
Maar de gedachte liet me niet los. Ik herinnerde me een krabbel in mijn eigen notitieboekje die ik in april gemaakt had naar aanleiding van Tolstojs De dood van Ivan Iljitsj (’herlezen!’), en langzaam begon er iets te dagen. Het herlezen van Gloed dat mijn broeder van plan was is veel meer dan lezen om het lezen, het is een ritueel. Juist dit boek is voor hem (en voor mij) zwanger van betekenis. We zijn er beiden mee vergroeid. De ervaring van het lezen overstijgt daardoor de inhoud van het boek.
Dát maakt het leven waard.
Bij nader inzien was het eigenlijk geen wonder dat hij het nodig vond mij te vertellen van zijn plan. Mooier had hij me niet kunnen zeggen wat hij in onze vriendschap ziet. “Jezus man,” zult U misschien zeggen, “is die gast katholiek of zo? Met z’n rituelen?” Het antwoord daarop is ja, maar als katholiek zijn een liefde voor rituelen betekent, dan ben ik het ook. Misschien is het wel besmettelijk, dat geloof. Net als die sexverslaving van mij, want daar zit hij dan weer mee opgescheept.
Wee degeen met levenshonger! Hij slikt zijn lot voor zoete koek, en sterft voor hij doodgaat. Nooit spreekt hij met volle mond, altijd met twee woorden. Hij lacht beleefd, en excuseert zich zelfs bij het van tafel gaan.
De man die breekt met deze code komt aan leven heel niet toe. Hij zit niet aan, maar bevecht Conventie, een monster veel te groot voor hem. Zonder regels is hij niets, leert hij … maar met is hij zichzelf niet.
In de lift van de bibliotheek drukte hij op zes, en voelde zich prompt daarop zwaarder worden. De afdeling wijsbegeerte kwam razendsnel dichterbij, en even later liep hij zich verloren, ergens tussen de 17e en 18e eeuw. Wijsbegeerte, die naam had hij nooit begrepen. Alsof begeren te leren valt.
Doodse stilte hier, alleen de boeken spraken. Ergens tintelde er iets. Hij stelde zich het meisje voor dat ooit hém zou lezen. Begerig naar de jongen achter de woorden. Misschien leest ze wel in bed.
Vanuit zijn binnenzak haalde hij een brief tevoorschijn, voor haar. Na enig zoeken vond hij een boek dat hij bij haar vond passen. Hij keek naar de brief. Tastbaar, net als de hand die ‘m vasthield, zijn hand. Het meisje was fictie, alleen in gedachten kon hij haar aanraken. Hij stopte de brief halverwege het boek. Ze zou hem wel vinden, ooit. Dan zou hij fictie zijn, de brief bleef hoe dan ook echt.
Tien minuten later bracht de lift hem lichtgewicht terug op aarde.
Rond mijn vierde verjaardag kreeg ik een brilletje aangemeten, en ‘ontwaakte ik uit mijn dogmatische sluimer’, zoals dat heet. Zó zag de wereld er dus werkelijk uit! Het feest was echter van korte duur, want niet veel later sloeg de twijfel al toe, om vervolgens nooit meer te verdwijnen. Niemand kon mij er namelijk van overtuigen dat het door mijn bril vervormde beeld het juiste was. Dat ik iets anders zag was zonneklaar, maar dat dit dus de werkelijkheid was moest ik maar aannemen. Misschien was mijn bril wel net zo defect als mijn ogen, wie zou het zeggen?
De meeste stukjes die ik schrijf leiden niet tot een discussie. Niet echt. Dat ligt niet aan U, maar eerder aan mij. Want wat moet U bijvoorbeeld met een verhaaltje over Oorlog en Vrede? Over de onontkoombaarheid van het bestaan? Is het überhaupt wel mijn idee? Of laat ik slechts zien wat Tolstoj dacht?
In antwoord op deze en andere vragen wil ik het vandaag eens anders doen. Geen verhaal over een verhaal, maar een uiteenzetting van mijn eigen twijfels. Wat mij opviel aan Uw reactie op de mythe van de vrije wil is dat het U ‘een brug te ver gaat’ zónder dat U met argumenten komt. Wat ik nu wil laten zien is dat deze manier van doen vaak onontkoombaar is. De meeste discussies kennen een punt waarop de bril die men draagt de kijk op de zaak bepaalt. En in mijn ogen draagt iedereen een bril. Diep van binnen gelooft U in de deugdelijkheid van Uw bril.
U gelooft, niets meer of minder dan dat.
Om dit betoog te onderbouwen zal ik U mijn gedachten ontvouwen omtrent de wil. Als klein jongetje, niet zo heel veel ouder dan vier, zat mij deze kwestie al dwars. Tot op de dag van vandaag blijft het antwoord onbevredigend.
Als we ervan uitgaan dat iedere gebeurtenis een andere gebeurtenis als oorzaak heeft dan is het bestaan van de vrije wil uitgesloten. We hebben het dan over een volledig causale wereld. Alles is oorzaak en gevolg, inclusief de wil, die daardoor niet vrij meer is (overigens, maar dit terzijde, sluit een dergelijke wereld het bestaan van authenticiteit niet uit). Wil men toch van vrije wil kunnen spreken dan moet die causaliteit dus érgens doorbroken worden.
Zo kunt U bijvoorbeeld veronderstellen dat U in bezit bent van een ‘individualistische en naar vrijheid snakkende geest’ die zich niet aan banden laat leggen. Deze bewering gaat echter gepaard met problemen. Want waar zit dan die vrije geest? Niemand is in staat om de singulariteit aan te wijzen, die enerzijds gevangen zit in ieder lichaam, maar anderzijds aan geen natuurwet voldoet. Is die geest dan onstoffelijk? Wellicht, maar hoe kan iets onstoffelijks (geest) ooit communiceren met iets stoffelijks (lichaam)? U kunt hooguit geloven dat zoiets kan.
Maar wacht even, misschien zijn de natuurwetten helemaal niet zo strikt, hoor ik U al denken. Aan het begin van de 20e eeuw is toch gebleken dat sommige verschijnselen zich slechts met behulp van kansrekening laten voorspellen? Nou, daar zit toch zeker wel wat ruimte voor de vrije wil?
Laat mij allereerst benadrukken dat de natuurwetenschappen een beschrijving en geen verklaring van de werkelijkheid geven. Dat wordt nogal eens vergeten. In het ergste geval wordt er een theorie verzonnen rondom iets wat niet bestaat. Daaraan moest ik denken toen ik Multatuli’s vermakelijke idee 541 las, die ik voor de gelegenheid en voor U heb overgetypt. Uiteraard wil ik hier niet beweren dat de quantummechanica een loze theorie is, maar weerlegt zij nou echt het idee van een causale wereld? Ik weet het niet.
Als ik een munt opgooi dan weet ik dat er een kans van 50% bestaat dat ie op kop valt. Echter, zou ik alle randvoorwaarden kennen (een praktische onmogelijkheid) dan kan ik precies berekenen wat het wordt. Het is niet gezegd dat de quantummechanica het laatste station is. Misschien voldoen elementaire deeltjes, net als die munt, ook wel aan (vooralsnog onbekende) wetmatigheden. Geloof het, of niet.
De laatste aanval op het beeld van de causale wereld die ik hier wil noemen is de zogenaamde Copernicaanse wende van Immanuel Kant. Oorzakelijkheid, zei hij, zit niet in de wereld maar in ons hoofd. Een verbluffend en wonderschoon idee, als U het mij vraagt. Het kenvermogen is de bril waardoor wij de wereld zien. Kant schetst het volgende beeld. De zintuigen ontvangen een bombardement van impulsen, die door het kenvermogen wordt omgezet in logische beelden inclusief causaliteit. De wereld an sich (en dus ook de vrije wil!) blijft echter onkenbaar. We kunnen wel geloven in het bestaan van vrijheid, maar zeker weten doen we het nooit.
En zo komen we uit bij waar we begonnen waren, de bril. Het hangt er maar net vanaf door welke U de zaak bekijkt. Als U mij nu vraagt hoe ik het zie, dan moet ik U bekennen dat ook ‘mijn geest naar vrijheid snakt’. Ik hou teveel van het verhaal, van de romantiek, om het anders te kunnen zien. Natuurlijk koos ik zélf voor de liefde van mijn leven, om maar eens wat te noemen. Geen twijfel aan. Dat ik haar zie door een bril die gevormd is door een leven aan ervaring vergeet ik voor het gemak, al maakt haar dat niet minder lief.
Het enige wat het jongetje van vier in mij zo nu en dan frustreert is dat we (en ik bedoel ‘we’ in de meest brede zin van het woord) het zo vaak niet eens kunnen worden. Dat de meeste discussies, áls ze al van de grond komen, tot niets leiden, enkel en alleen omdat de ene bril de andere niet is.
Er is maar één waarheid: zonder bril zien we niets.
Het is uit.
Twee jaar lang deelde ik van tijd tot tijd het bed met Lev Tolstoj, of liever gezegd zijn meesterwerk Oorlog en Vrede, en de honderden karakters die daarin figureren. Ik sliep nooit alleen. Zopas sloeg ik, niet zonder weemoed, de laatste van de ruim anderhalf duizend pagina’s om.
Dit is schrijven, wist ik, toen ik voor het eerst merkte dat de figuren zich moeiteloos van het papier losmaakten, en bij mij in bed kropen. Levensechter heb ik ze nog niet gelezen. Nee, werkelijk, Tolstoj schrijft magisch. Die paar schotwonden die ik door zijn toedoen te Austerlitz opliep neem ik gewoon op de koop toe.
Naast weemoed is er deemoed. Ergens voel ik me trots het boek der boeken te hebben gelezen, maar de wetenschap dat ie geschreven is door een jongen even oud als ik maakt klein en pretentieloos. Deze schrijver ziet zoveel meer dan ik, dan wie dan ook. Hij is een held.
Saillant detail is het feit dat Tolstoj zelf niet zoveel van helden moest hebben, of althans van het idee dat een individu de loop van de geschiedenis zou kunnen bepalen. Met de uitwerking van deze filosofie in de vorm van Oorlog en Vrede schreef hij echter in hoogst eigen persoon geschiedenis. Mooi vind ik dat.
Tolstoj stelt historische onontkoombaarheid tegenover de vrije wil, die volgens hem - uiteindelijk - illusoir is. Niet Napoleon viel Rusland aan, maar miljoenen soldaten trokken ten strijde, en evenzoveel factoren zetten die machinerie in gang. Als de tijdgeest niet zoiets ongrijpbaars was zou je prompt hém de schuld geven.
Tolstoj doet het.
De uiterste consequentie is de ontkenning van individuele vrijheid, en nee, ook hierover doet hij niet kinderachtig. Hij is glashard. U en ik kunnen niet zonder het idee dat wij het voor het kiezen hebben, dit idee maakt ons mens. Het maakt bewustzijn mogelijk.
De werkelijkheid is echter onontkoombaar, volgens hem. We kunnen dit ook omdraaien: onder de alleenheerschappij van de rede krijgt het leven geen kans, en dus houden we onszelf noodgedwongen voor de gek. Ziet U, ik doe net alsof ik fijne stukjes schrijf, maar in feite kán ik niet anders.
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004
juli 2004
juni 2004
mei 2004
april 2004
maart 2004
februari 2004
januari 2004
december 2003
november 2003
oktober 2003
september 2003
augustus 2003
juli 2003
juni 2003
mei 2003
april 2003
maart 2003
februari 2003
januari 2003
december 2002
november 2002
oktober 2002
september 2002
augustus 2002
juli 2002
juni 2002
mike(at)mikz.net